Parijs op wielen
Met de rolstoel kom je (bijna) overal
We hadden al lang zin in Parijs. Het was dik vijftien, twintig jaar geleden sinds we er voor het laatst waren. Een weekend Parijs, bij wijze van paascadeau, dat moest kunnen. Ook al stonden we nog maar enkele weken voor de vakantie.
Documentatie verzamelen via het internet bleek geen probleem. Organisaties die hulp of advies geven voor rolstoel-gebruikers zijn makkelijk te vinden, maar de bruikbare informatie die ze op het web ter beschikking stellen, is soms schaars. Via het internet bestelde ik het boekje “Paris comme sur des roulettes”. Met gedetailleerde stratenplannen, wandelroutes, tot en met de beschrijving van de berijdbaarheid van stoepen. Maar toch een beetje té sterk op skaters gericht, en te weinig info over de metro. Eens ter plaatse hebben we het boekje trouwens niet gebruikt. Geld over de balk.
Dan maar een klassieke toeristische gids geraadpleegd, waar we qua route-beschrijvingen en wandeltips ook ruim bediend werden. Maar over de metro, alweer, weinig of niets.
De zoektocht naar een geschikt hotel (dat wil zeggen met een rolstoeltoegankelijke en aangepaste kamer) was niet zo eenvoudig als ik aanvankelijk dacht. IBIS-hotels bijvoorbeeld hebben wel aangepaste kamers, maar uitsluitend voor twee personen. Een derde bed erbij voor mijn zoon kon niet, zo bleek na een aantal telefoontjes. Op andere websites van dezelfde Accor-keten was informatie over toegankelijkheid eerder beperkt, en omdat nutteloze telefoontjes snel vervelen en de informatie op het net niet altijd doeltreffend is, besloot ik de reservatie over te laten aan een reisagentschap.
Ik had een tip gekregen over het Novotel aan de Porte de Bagnolet, en de mevrouw van het reisbureau in Gent had de reservatie in een wip geregeld. Met de uitdrukkelijke vermelding op de fax dat de kamer toegankelijk moest zijn, de badkamer aangepast enz., en jawel hoor, dat hadden ze allemaal en ter plaatse bleek het netjes geregeld.
De Porte de Bagnolet is niet de fraaiste buurt van Parijs, en zeker niet de meest rustige want pal tegen de Périphérique. Het uitzicht was dus spuuglelijk maar van verkeerslawaai hadden we nauwelijks last: het raam kon wegens de airco niet open. En maar goed ook.
Dat Novotel is er een van het grote soort: meer dan vierhonderd kamers, een ruime lobby met pianobar (waar je met de rolstoel jammer genoeg niet bij geraakt wegens trappen), een rolstoeltoegankelijk toilet vlak aan de receptie, een ruim restaurant met een beperkte maar lekkere spijskaart - en naar Parijse normen best betaalbaar.
Niemand zal je overigens dwars aankijken als je je eten naar je kamer brengt (vlakbij is er een supermarkt), maar laat je toch maar verleiden door het ontbijtbuffet.
Onze kamer was nét ruim genoeg maar niet op overschot - vooral door het bijkomende bed voor onze zoon. Er stond een tv met Franse zenders en een betaalkanaal, maar door de beperkte manoeuvreerruimte was lekker onderuitzakken er niet bij.
Het hotel heeft een ondergrondse parking voor gasten, maar omdat onze auto (een monovolume) vrij hoog is, liet de receptionist ons op de met slagbomen beveiligde parking voor autocars staan.
Wanneer het verkeer op een boulevard of avenue vastloopt (en dat gebeurt heus niet alleen tijdens de “heures de pointe”), kan je sneller ter bestemming geraken via kleinere straten, maar zeker is dat niet. Een goed plan, oriëntatiezin en enige bravoure komen goed van pas.
Om vlot te circuleren – en dat kan heus wel – is méér nodig dan rijervaring. De Parijse rijstijl is vrij ongewoon. Je doet er goed aan met volgende tips rekening te houden.
De meeste chauffeurs hebben galanterie niet in hun woordenboek staan. Een andere chauffeur voorrang van rechts verlenen, ho maar! Op grote kruispunten of rotondes (Bastille, Concorde, Etoile…) komt het erop aan te doen wat Parijzenaars doen: zie je een gaatje, schuif er dan in. Laat je niet intimideren door geschud van vuisten, claxonconcerten of het occasionele heethoofd dat uitstapt om je even te vertellen wat voor oen je bent: het hoort gewoon bij hun aard, en misschien is het niet eens zo slecht bedoeld. Als ze jouw buitenlandse nummerplaat in de gaten hebben en je slaagt erin vriendelijk te blijven glimlachen en wuiven, dan mag je op enig mededogen rekenen. Voor Parijse chauffeurs zijn niet-Parijzenaars dan wel buitenaardse wezens, maar voor Belgen hebben ze een speciale affectie. “Les p’tits Belges, weet je wel”.
Je moet er absoluut rekening mee houden dat chauffeurs én motards even vaak rechts inhalen als links. Je doet er dan ook maar goed aan je rechterspiegel even scherp in de gaten te houden als de linkerspiegel. Denk nooit dat je gelijk hebt omdat je volgens het boekje rijdt. Dat zou een fatale vergissing kunnen zijn.
Denk ook niet dat je op de brede boulevards en avenues hard kunt doorrijden. Als het een beetje meezit gaat het lekker, maar het gaat nooit snel - ook omdat er op zowat elk kruispunt verkeerslichten staan.
De parkeerpolitie is, zeker in de toeristische wijken, alomtegenwoordig. De mannen en vrouwen schrijven boetes uit dat het een lieve lust is, want Parijzenaars parkeren zowat overal. Toen wij na enig zoekwerk (betaalparkings wilde ik vermijden, ook omdat mijn auto te hoog is voor de meeste ondergrondse parkings) een plekje gevonden hadden vlak bij de Notre Dame, zag ik zo’n stel vrouwen assertief-nonchalant onze richting uitkomen. Ze straalden niet meteen veel levensvreugde uit, het deed misschien een beetje pijn als ze moesten lachen. Ik informeerde met mijn meest onschuldige toeristengezicht of ik daar eigenlijk wel mocht staan. “Pas du tout”, was het antwoord, waarop zij er meteen aan toevoegden dat ik mij van een eventuele boete niets moest aantrekken – “daar gebeurt toch niets mee, zeker niet voor buitenlanders”. Ze voegden er aan toe dat echt hinderlijk geparkeerde wagens in principe konden weggesleept, “maar met buitenlanders gebeurt dat haast nooit”. Natuurlijk hadden ze intussen mijn vrouw in haar rolstoel in de gaten, maar leuk meegenomen was het wel. Ik bleef staan waar ik stond.
Bang van de Périphérique? Niet nodig. Tijdens de “heures de pointe” gaat het soms tegen een slakkengangetje, maar het schiet meestal wel op en als je aan het andere eind van de stad moet zijn is het efficiënter een ommetje te maken langs de Périphérique dan de hele stad te doorkruisen. De uitritten zijn duidelijk aangegeven. Houd er rekening mee dat je de inrijdende chauffeurs maar beter voorrang verleent als je op de uiterst rechtse strook rijdt.
Omdat het voor ons beiden zowat een eeuw geleden was sinds we nog eens in Parijs waren, hadden we besloten vooral de toeristische “musts” nog eens op een rijtje te zetten. Brasseries waar wereldvermaarde schrijvers ooit boven hun café-crème diepe gedachten produceerden, lieten we toch maar links liggen. Voor pakweg een pint, een koffie en een cola moet je een buitensporige smak geld neertellen. Daarom hadden we onze voorraad blikjes mee, in de frigobox in de auto.
Wie Parijs zegt, zegt Notre Dame. De kathedraal op de Ile de la Cité imponeert en charmeert, aan de buitenkant en vooral ook binnenin. Een bezoek aan de torens is voor rolstoelgebruikers echter uitgesloten want er is geen lift. Onze zoon ging er dan maar op z’n eentje op, terwijl wij aan de Seine gingen mijmeren en in het parkje vlak voor de kathedraal van de lentezon genoten.
Een toegankelijk toilet op zo’n toeristische trekpleister zou geen slecht idee zijn, maar het enige dat we vonden (rechts als je pal voor de kathedraal staat) was enkel via een trap te bereiken. Niet te veel drinken dus, als je een natte broek wil vermijden.
De Notre Dame ligt zo centraal dat een wandeling zich opdringt. Heerlijk, als de zon een beetje meewil. Zelfs ‘Beaubourg’ ligt maar op een steenworp.
Dag twee: de Eifeltoren en het Louvre. Het zoeken naar een parkeerplaats kan wel even duren, maar rond een “point de repère” als de Eifeltoren vind je pakweg binnen het halfuur wel een plek waar je je auto kwijt kan. Laat je niet afschrikken door die verschrikkelijk lange rijen toeristen aan de kassa’s. Rolstoelge-bruikers mogen een korte weg nemen – inclusief begeleiders. En zoals wel vaker het geval is: tegen een zacht prijsje.
De ticketverkoopster had me gezegd dat rolstoelgebruikers niet hoger kunnen dan de tweede verdieping, maar eens we daar waren zag ik wel liften om hogerop te geraken. Misschien kan het dus toch, maar we hebben het niet verder uitgezocht.
Als je net zoals ik last hebt van hoogtevrees, vind je die tweede verdieping best al hoog genoeg. Er is een breed terras en je hebt er een magnifiek zicht op Parijs. Terwijl onze zoon tot in de nok probeerde te geraken, genoten wij van een blikje frisdrank… Op die tussenverdieping is ook een cafetaria, een souvenirwinkeltje en een toegankelijk toilet. De toiletmevrouw was bij de pinken, lang wachten hoefde dus niet en zo hoort het ook. Een tip: het kan hard waaien op de Tour Eifel, een sweater is geen luxe.
Verkwikt door de zon, de wind en de panorama’s, gooiden we ons weer het verkeer in, richting Louvre. Niet zonder omwegen reden we eerst even de Champs Elysées op en af. Lekker relaxed, raampje open, wind in de haren en laat ze maar claxonneren. Als je dit te voet doet, ben je een paar uren onderweg.
Het hele Louvre bezoeken is natuurlijk niet te doen. Je maakt best vooraf een selectie van wat je echt wil zien. Dan nog is het en puzzel. Het Louvre heeft magnifieke plannetjes, maar door tal van onbegrijpelijke omstandigheden moet je vaak lift in, gang door, weer lift in, rechtsomkeer, andere lift… Zo zijn we nooit bij de Venus Van Milo geraakt, en twee verwarde suppoosten konden ons ook al niet helpen. De Mona Lisa zagen we wel, ondanks de volkstoeloop (een zeldzaam voordeel van een rolstoel is dat je iemand lekker pijnlijk tegen de schenen kan rijden zonder echt uitgescholden te worden). Wat je er ook van vindt, naar het Louvre gaan zonder de Mona Lisa te zien, het zou zonde zijn. Dat vonden ook de ruziemakende Aziatische en Duitse toeristen.
Het Louvre heeft een ondergrondse parking, dan kan je wel vermoeden. Omdat mijn auto nogal goed geschapen is, koos ik de inrit voor toeristenbussen.
Plaats zat, maar toen we wilden wegrijden schrok ik mij het apenlazerus toen ik aan de ticketautomaat de prijs zag. Het duurde even voor ik de man-in-het-glazen-hok (die moest laten voelen dat hij Piet Snot niet was) ervan kon overtuigen dat mijn vrouw als rolstoelgebruiker recht had op een gunsttarief, en niet op een tarief waartegen je een vliegdekschip in de haven van Zeebrugge kan aanmeren. De man drong maar aan op een “attestation” die gehandicapten in Frankijk kennelijk hebben, maar wij dus niet. Je mag dan al denken dat hij z’n “attestation” kan stoppen waar de zon nooit schijnt, je blijft toch maar beter vriendelijk en dan lukt het ook wel.
Terug naar het hotel belandden we in een “bouchon” om U tegen te zeggen. Op de Place de la Bastille stonden enkele honderden Palestijnen, Arabieren en sympathisanten hun ongenoegen te uiten over de Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten. CRS en aanverwante politiemannen reden driftig aan en af, maar de rest van het verkeer zat in alle richtingen muurvast. Toen we uiteindelijk op kruipsnelheid de Place de la Bastille doorkwamen, was dat doorheen groepjes pisnijdig kijkende mannen-met-Palestijnse sjaals, al even pisnijdig kijkende politiemannen in gevechtsuitrusting en smeulende resten van autobanden en Amerikaanse vlaggen. De pint die ik even later in het hotel dronk, had nog nooit zo goed gesmaakt.
Dag drie stond het Musée d’Orsay op het programma, aan de gelijknamige Quai, en dat was een voltreffer. Als rolstoelgebruiker kun je zonder problemen overal komen, aangepast toilet incluis.
Toen we eraan kwamen, bleek algauw dat de auto parkeren niet simpel zou zijn. Er is een aangepaste parkeerplaats aan de voorkant van het museum, maar de passagier die rechts de auto uit moet, loopt levensgevaar. De Quai d’Orsay is immers een soort racebaan. Het kostte ons een klein half uurtje rondjes rijden, maar uiteindelijk vond ik enkele straten verder toch een parkeerplaats.
Je kan in het museum een broodje of een warme hap eten in het cafetaria, of een volledige lunch in het restaurant, maar alweer: schrik niet van het prijskaartje. Als je na zo’n museumbezoek nog even de tijd hebt, dan is een wandeling in de straatjes achter het museum heel leuk.
Vandaar reden we naar ‘Beaubourg’, de uit de kluiten gewassen cultuurtempel waarover destijds politici, intellectuelen en journalisten elkaar naar de strot vlogen. Wie het gebouw ziet, begrijpt ook vandaag nog die commotie. Het staat er, temidden van een zeer traditionele Parijse wijk, als een reuzendrol op een stoep (drollen liggen er in Parijs overigens in overvloed, maar dit geheel terzijde).
Het cultuuraanbod in het centrum is te uitgebreid om hier uit de doeken te doen. Wij kwamen voor een tentoonstelling over het surrealisme. Alles wat in die kunststrekking naam en faam had of heeft, was er te zien. In het centrum zijn er overigens voortdurend interessante dingen te zien, en die informatie vind je gemakkelijk via het internet.
Aan het centrum is een ondergrondse parking met een weelde aan parkeerplaatsen voor gehandicapten gekoppeld en met de lift ben je in een wip aan het plein voor het centrum. Dat is een soort hellend vlak waar toeristen, straat-artiesten en ander, sandwiches knabbelend volk zich ophouden.
Rolstoelers hoeven die helling niet af om zo langs de hoofdingang binnen te gaan. Je rijdt beter rechtsom en vlak achter de hoek kan je via een soort personeelsingang (gratis) binnen. Als je dringend moet, dan vraag je daar maar aan een vriendelijke (echt waar) geüniformeerde meneer om je even naar een toilet te begeleiden. Er is er een, toegankelijk maar niet aangepast, bij de bibliotheek op de gelijkvloerse verdieping, maar zonder begeleiding geraak je niet door de security.
Tussen de tentoonstelling en een zeer sjiek-artistiek aandoend restaurant, vind je een toegankelijk en wél aangepast, artistiek ogend toilet. Iemand moet wel even de meneer-met-de-sleutel zien te vinden, maar je hebt nadien wel het gevoel dat je een artistieke daad hebt geponeerd. De prijskaart van het restaurant hebben we maar niet bekeken, we hadden onze lunch in de rugzak. Op een soort terras staan wat zitbanken en als de zon schijnt is het daar best leuk relaxen.
Het was al een eind in de namiddag maar nog te vroeg om aan de apéro te denken. Daarom gokten we erop dat we voor donker de Sacré Coeur nog zouden bereiken, en aldus geschiedde. In één van de drukke, erg smalle straten aan de voet van de heuvel geraakte ik de auto kwijt, en met de Funiculaire waren we in geen tijd boven, dat wil zeggen aan de voet van de trappen naar de basiliek.
Ik ging op verkenning om te kijken hoe mijn vrouw het gebouw kon binnenrijden, maar toen ik de basiliek binnenin zag, vond ik dat de moeite niet waard. Het mag dan al een indrukwekkend gebouw zijn, binnenin is het grijs en kleurloos. Of je er met de rolstoel in kan, weet ik dus niet.
Nu we toch zo ver waren gekomen, wilden we eigenlijk ook de Place du Tertre even zien. Dat was voor ons beiden een eeuwigheid geleden.
Let op als je met een “duwer” op weg bent. De Place du Tertre ligt op amper twee straatlengtes, maar je moet wel een nijdig hellinkje op en de kasseien zijn daar even rolstoelvijandig als bij ons.
De plek is nog altijd een beetje een must voor toeristen. Het pleintje en de straten in de ruime omgeving waren ooit dé pleisterplaats voor artiesten van alle slag. Ik herinner ze mij nog: het baret over het linkeroor, de Gauloise in de mondhoek, aan de schildersezel, en de academiestudenten die voor enkele francs leuke karikaturen schetsten. Ze zaten er misschien vooral voor de toeristen, twintig jaar geleden, maar goed, het had nog een illusie van iets authentieks. Nu zijn de schilders en tekenaars verdrongen door de commercie. Ze zijn er nog, jawel, maar je kan ze op vier handen tellen. Het pleintje zelf is ingenomen door terrassen, de artiesten staan letterlijk op de straat.
Maar goed, als toerist kom je ook voor de sfeer en die is er nog wel een beetje. De gebouwen rond het pleintje zijn allemaal restaurants, brasseries of iets daar tussenin. Het zijn nog de authentieke huizen-van-toen, maar je ontkomt bij momenten niet aan het gevoel alsof je in Brussel in de “Rue des Bouchers” loopt: gezellig maar totaal nep. (gdc)
Hoe vaak heb je niet vanop de dijk, vanuit de rolstoel naar het strand en de branding zitten kijken? Met je hoofd vol goesting naar gewone dingen zoals pootje baden, zand tussen de tenen of een wandeling langs de branding? En de frustratie omdat je met je wielen vastloopt in het zand?
Dat hoeft eigenlijk niet meer. De CM verhuurt sinds kort de Wombat, dat is een rolstoel met extra-brede wielen waarmee zand, sneeuw of modder geen probleem meer hoeven te zijn. Wij huurden er een bij de Thuiszorgwinkel van de CM in Oostende, voor het eerst in de zomer 2003. Niet echt goedkoop, maar hij was elke euro waard. Let wel: de stoel is brééd. De dikke achterwielen kunnen er wel af, maar als je echt onhandig bent heb je een probleem om de stoel te transporteren. Houd er ook rekening mee dat de begeleider nog altijd moet dùwen - bergop blijft bergop, ook in het zand.
Hij ziet er zo uit:

Meer informatie bij:
www.offtheroadwheels.nl/jutter/wombat.htm
In Oostende kun je hem huren bij
www.thuiszorgwinkel.be/
mailen naar
oostende@cm.be
Als je zou overwegen er een te huren, dan moet je er wel snel bij zijn. De voorraad Wombats is meestal niet erg groot.
Een amputatie, een prothese of een ander mobiliteitsprobleem hoeft niet per definitie het einde te betekenen van je sportieve vakanties. Anvasport is een vzw die al jaren sportvakanties organiseert voor mensen met mobiliteitsproblemen, geamputeerden maar ook andere motorisch gehandicapten. Tijdens opeenvolgende paasvakanties zijn mijn vrouw, mijn zoon en ik met hen meegereisd naar Les Gets, een prachtig Frans skigebied binnen oogbereik van de Mont Blanc.
Eigen aan Anvasport is dat geen berg hen te hoog is. Alleen de uitdaging kan groter lijken. Zo kunnen geamputeerden leren skiën, maar ook bv. zeilen, waterskiën... Het leuke aan die sportvakanties is hun familiaal karakter. Validen en invaliden, jongeren en ouderen, het is één gezellige bende.
Anvasport gaat ervan uit dat elke invalide mét prothesen kan leren skiën of snowboarden, net zoals valide sporters. Alleen duurt het wel iets langer en als het echt niet kan, dan is er nog de zitski , een comfortabele kuip gemonteerd op een brede monoski. Met twee begeleiders gaat het hele zaakje de zetellift op, en slalommend de berg af. Tenzij je als valide skiër een snelheidsduivel bent, moet je maar niet proberen ze bij de houden. Na enkele sportkampen kan de zitskiër stilaan op "echte" ski's gaan oefenen. Daarvoor hebben de monitoren heel eigen en veilige technieken ontwikkeld.
Voor, tijdens en na het skiën is er medische en paramedische bijstand. De initiatiefnemer van Anvasport, Patrick Vandevaerd, is sinds jaar en dag actief als kinesitherapeut in het Centrum voor Technische Orthopedie (CTO) in Wetteren. Hij laat zich overigens ook niet onbetuigd in het après ski gebeuren.
Meer info vind je op http://www.anvasport.com
Wie informatie zoekt over reizen met een handicap, kan misschien hier zijn zoektocht beginnen:
http://www.bfree.be/ (wil u met de mobilhome op reis, althans een mobilhome die toegankelijk is voor een rolstoel? Een tiental telefoontjes op basis van de gouden gids leverde slechts één positief resultaat op: Bfree in Erpe-Mere. Andere bedrijven zijn kennelijk stekeblind om een gat in de markt te zien.
http://www.piekernie.org/ (gehandicaptenproblematiek, zelfhulp, advies en reïntegratie)
http://www.peyrugue.com/nl/aangep_chalet.html (aangepaste chalet)
http://users.skynet.be/bk330534/#Wij%20zoeken...%20contact (motorhome-site)
http://www.toegankelijkreizen.be/
http://www.wegwijzer.be
http://www.reizenopwielen.be/
http://info.wien.at/handicap.rtf
http://www.gehandicaptenreizen.nl/
http://www.mis-ch.ch/d/links/links.htm
http://www.oberoesterreich.at/nohandicap/
http://www.paraculture.at/
http://www.euroreizen.be/infopagina/handicap/
http://www.msvnamsterdam.nl/Doorlopend/Openbaar_vervoer_met_een_handicap.htm
http://www.stadt-salzburg.at/
http://www.ohnehandicap.tirol.at/
http://www.reisgenoten.nl/pages/Reisorganisatoren/Gehandicapten/
http://www.handicaptravel.de/pn/index.php